Sample image

GOUD VREEST HET VUUR NIET!

Onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit de oven des brandenden vuurs, en Hij zal uit uw hand, o koning! verlossen. Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren.
(Daniël 3 vers 17 en 18)

Drie getuigen staan te schitteren. Zij verkeren in het grootst gevaar. Het is een zaak van leven of dood, erop of eronder. Zij wijken geen duimbreed. Sadrach, Mesach en Abed- nego. Zij bekleden een voorname functie aan het hof.

Wat is er dan gebeurd? Waarom keert zich alles en iedereen zich zo tegen hen? Wat hebben zij misdaan? Niets! Hun enige misdaad is dat zij niet willen knielen voor het gouden beeld ter ere van koning Nebukadnezar. Zij hebben de God hunner vaderen lief. Voor Hem knielen zij, voor Hem alleen!

Vreemdelingen zijn deze vrienden, in een vreemd land. Dat is niet eenvoudig. Toch was hun godsvrucht opvallend, hun afhankelijkheid van de Heere sprak. Hierdoor kregen zij veel vertrouwen van de koning. Daniël steeg helemaal in aanzien. Echter, het wekte de jaloezie van anderen (zie ook Daniël 6). Daardoor maakten zij boze plannen om de religie van deze mannen te beproeven. De proef op de som wordt dat zij moeten knielen voor een beeld. Een gouden beeld. Ooit sprak een zendeling-evangelist met een Boeddhist. Deze laatste prees zijn religie, zo vol van liefde. Ook van weldoen aan anderen. De zendeling dacht even na en begon: “Eén ding vind ik zo onbegrijpelijk, namelijk dat jullie knielen voor een beeld; het heeft ogen, maar ziet niets; oren, maar hoort niets; handen die niet helpen kunnen . . . .” Het werd nog stiller. De pijl trof doel. Onze God is machtig. Je kunt tot Hem roepen, én Hij antwoordt; roepen tot Hem in de nood, én Hij geeft uitkomst. Hier ligt het uitgangspunt van de drie vrienden en Daniël. Zij roepen het uit, onbevreesd: “Onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen.” Zij mogen zich geheel aan hun Heere en God over geven.

En of Hij hen uit de hand van de koning verlossen zal? Altijd! Uit de brandende oven? Misschien niet, maar dan is het nóg een verlossing van de koning. Moedig gaan zij hun weg. Het lijkt wel op de woorden van de dichter uit Psalm 8 vers 9: “Wij steken ’t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen.” De Heere zal immers besturen en waken, en maken dat zij zich verwonderen zullen. Het lijkt onafwendbaar. De oven wordt zevenmaal heter gestookt. De sterkste mannen uit het leger worden ingeroepen. En in de hemel? Daar lacht de Allerhoogste. Hij zendt een Engel naar de aarde, de Zoon des mensen gelijk. Hij gaat naast de drie vrienden lopen. Zijn vuurgloed gaat hen voor. De beschermengel is een vurige muur rondom. De manen verbranden niet. Er zit zelfs nog geen brandlucht aan hun kleding.

Alles verbrandt, behalve zij. De sterksten uit het leger vallen dood neer, zij blijven leven. Zo God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? En dan komt het laatste oordeel. God heeft Zijn Eigen Zoon niet gespaard, maar heeft Hem voor ons allen over gegeven. Zal Hij ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Jezus Christus ging door het vuur van de smarten heen, de verlatenheid van Zijn Vader, door hel en dood te ondergaan. Zo is een eeuwige vrijheid ontstaan. De poorten der hel kunnen daarom de Zijnen nooit meer overweldigen. Goud blijft goud. Goud is niet bang voor het vuur. Knielde u voor de Allerhoogste, of staat u nog van verre? Wacht niet te lang!

“In de grootste smarten,
blijven onze harten,
in de HEER’ gerust;
‘k zal Hem nooit vergeten,
Hem mijn Helper heten,
al mijn hoop en lust.”


De schrik slaat de koning om het hart. Hij kan het niet verdragen dat een vierde naast die drie loopt. Hij heeft het verloren. Het gouden beeld ‘stort’ neer. Van al die beelden blijft niets meer over dan poeder, stof. Maar uit de monden van de vrienden klinkt luid en duidelijk Gods lof. “Wanneer gij zult gaan door het vuur, Ik zal bij u zijn.”

C. van den Berg

Komende bijeenkomsten

Geen bijeenkomsten